De wonderstraal by Jules Verne. Page: 2
aten van een venster, welker drie glazen als ruitvormige vakken buiten den gevel der woning uitstaken:
»Roepen de heeren juffrouw Bess?" zei hij; »maar die is niet op het buitenverblijf."
»Waar is zij dan, Partridge?"
»Zij vergezelt miss Campbell, die in het park wandelt."
Partridge vertrok hoogst ernstig op een teeken, dat hem beide personen gaven.
Die personen waren broeder Sam en broeder Sib,--verkleinwoorden, afkomstig van hunne doopnamen Samuel en Sebastiaan--de ooms van Miss Campbell. Het waren Schotten van het oude ras, Schotten van een ouden Clan der Hooglanden, zij telden te zamen honderd twaalf jaar, en scheelden slechts vijftien maanden met elkander. Sam was de oudste, Sib de jongste.
Om die twee typen van eer, goedheid en toewijding bij uitnemendheid met weinige trekken te schetsen, zal het voldoende zijn mede te deelen, dat hun geheele bestaan aan hunne nicht gewijd was. Zij waren de broeders van hare moeder, die, nadat zij na een kortstondig huwelijksgeluk van slechts een jaar, weduwe geworden was, door een snelverloopende ziekte in het graf gesleept werd. Sam en Sib Melvill bleven dus alleen op de wereld als verzorgers van het kleine weeskind. Door dezelfde verteedering verbonden, leefden zij voort, dachten aan en droomden over niets anders dan het jonge meisje.
Voor haar waren zij ongetrouwd gebleven, het moet er bij verteld worden: zonder eenig berouw; want zij behoorden tot die goedige wezens, die geen andere rol op dit onderaardsche te vervullen hebben dan die van voogd. En dat was nog niet genoeg gezegd: de oudste had zich tot vader, de jongste tot moeder van het kind gesteld. Het gebeurde dan ook, dat miss Campbell er toe kwam hen heel natuurlijk te groeten met een:
»Dag papa Sam! hoe vaart mama Sib?"
Met wie zou men die beide ooms beter hebben kunnen vergelijken, behoudens hunne geschiktheid voor de zaken, dan met die twee liefdadige kooplieden, zoo goed, zoo eender van gedachten, zoo minzaam, als de